
Uiterlijke mens: “Mooi zijn”
Een van de vrouwen van mijn vrouwengroep had besloten zich te laten ‘faceliften’. Daar de discussie eindeloos werd vertelde ik het onderstaande verhaal.
Tijdens een fietstocht in Noord Frankrijk wist ik de juiste route niet meer en daar ik de kaart in mijn tent had laten liggen, stopte ik bij het eerste huis dat ik tegen kwam om de weg te vragen. Het was een oud huis dat een beetje scheefgezakt op het erf stond. De voordeur zat aan de zijkant van het huis en via een stenen trapje kon je bij de verveloze deur komen. De ramen en de vitrage waren duidelijk al jaren niet gezeemd en gewassen. Dikke lagen stof en veel spinnenwebben bedekten de vensters en de ramen.
Met mijn fiets in de hand liep ik naar het hek voor het huis en terwijl ik riep: “Il y á quelq’un ici , il y á quelq’un ici?” brak de hel los. Een hond sprong te voorschijn, wurgde zich bijna aan het touw waar hij mee vastgebonden zat en begon als een bezetene te blaffen. Poezen schoten alle kanten op, kippen vlogen kakelend uit elkaar en toen zag ik nog net dat een benige oude hand de vitrage weer toeschoof.
Ik bleef braaf achter dat hek staan, zag dat iemand de deur opende en hoorde een vrouwenstem in rap Frans de menagerie tot stilte en rust manen. Tot mijn verbazing gebeurde dat ook. De hond ging liggen, de kippen kwamen tot rust en de poezen strekten zich weer uit in de zon.
Toen zag ik een oude vrouw met haar gekromde rug naar me toe heel voorzichtig het trapje af gaan. Haar ene hand hield de gammele leuning vast en haar andere hand een stokje zodat ze in evenwicht kon blijven tijdens het afdalen. Langzaam draaide ze zich naar me toe en schuifelde met haar hoofd gebogen naar de grond richting het hek waar ik nog steeds achter stond.
Bij het hek aangekomen tilde zij haar hoofd op. Toen zag ik haar gezicht en bleef haar verbijsterd aanstaren. “Wat een schoonheid”, dacht ik. Wel duizend rimpeltjes versierden haar gezicht, haar tandenloze mond glimlachte me toe. Haar ogen waren vol warmte en genegenheid. Liefdevol vertelde ze me hoe ik mijn fietstocht kon voortzetten.
Ik bedankte haar in mijn beste Frans, stapte op mijn fiets en bedacht dat ik nog heel wat had te doen om er zo uit te mogen zien als deze vrouw.
Na dit verhaat verteld te hebben aan de vrouwen van mijn vrouwengroep voegde ik er: “maar wel met tanden in mijn mond” aan toe.
Loeklouise





